NZG Vaccinaties

VaccinatieVaccinatie, ook wel inenting genoemd, is een belangrijk middel om mensen te beschermen tegen ernstige infectieziekten. Het traint het afweersysteem om op te treden tegen bepaalde ziekteverwekkers. Met het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) beschermt de overheid alle kinderen in Nederland tegen gevaarlijke en soms dodelijke infectieziekten.

Sinds 2009 is de vaccinatie tegen het humaan papillomavirus (HPV), een virus dat baarmoederhalskanker kan veroorzaken, onderdeel van dit programma. Een ander door de overheid aangeboden vaccinatieprogramma is het nationaal programma grieppreventie.

Ieder jaar krijgen circa 3,7 miljoen mensen van 60 jaar en ouder of uit een bepaalde risicogroep in oktober of november de griepprik. Naast deze overheidsprogramma's zijn er andere vaccinaties, bijvoorbeeld voor mensen die behoren tot een bijzondere risicogroep.

Historie
Vaccinaties bestaan al ruim twee eeuwen. Dat betekent dat er een hele vaccinatieperiode voorafging aan het Rijksvaccinatieprogramma. Op deze pagina staat een beknopte beschrijving van de periode voor de start van het Rijksvaccinatieprogramma. De veranderingen die sinds 1957 in het programma zijn doorgevoerd staan in een schema.

Infectieziekten: zo oud als de mensheid
De meeste infectieziekten bestaan al zolang de mens bestaat. Archeologische vondsten, geschriften en kunstwerken laten dat zien. Aan het hoofd van de mummie van farao Ramses V, die rond 1200 voor Christus stierf, is goed te zien dat hij pokken heeft gehad. In Kopenhagen bevindt zich een Egyptisch kleitablet uit de 18de Dynastie (1580-1350 vC.). Daarop staat een man die duidelijk door polio is getroffen.

Livius, een Romeinse geschiedschrijver, beschreef al in 212 voor Christus een griepepidemie. De vader van de westerse geneeskunde, Hippocrates (460-377 vC.), beschreef een bofepidemie en later ook hepatitis, meningitis, tuberculose en malaria. En uit geschriften van Aulus Cornelius Celsus blijkt dat tussen 25 voor Christus en 50 na Christus al hondsdolheid en tetanus voorkwam. Zo bekeken is de geschiedenis van het vaccineren nog maar net begonnen.

Op zoek naar immuniteit
Dat je mensen immuun kunt maken door ze expres te besmetten was eeuwen geleden al bekend. In het oude China, India, Perzië en Turkije bracht men etter of korsten van menselijke pokken aan in of op de huid, of in de neus van gezonde mensen. De methode, die destijds variolatie heette (variola=pokken), werd pas in de 18e eeuw toegepast in Amerika en Europa. In 1721 werd hij bijvoorbeeld ingezet om het hoofd te bieden aan een pokkenepidemie in Boston. Een halve eeuw later werd het volledige Amerikaanse leger gevarioleerd.

De vrouw van de Engelse ambassadeur in Turkije maakte het varioleren gemeengoed in Engeland. Variolatie had echter twee belangrijke nadelen. Elke met pokken ingeënte persoon vormde een besmettingsbron voor anderen. En van de 474 personen die tussen 1721 en 1723 ingeënt werden stierven er 9 (bijna 2%). Er werd dan ook al snel weer mee gestopt.

Koepokken
KoeDe Engelse plattelandsarts Edward Jenner zorgde voor een enorme doorbraak op het gebied van infectieziektebestrijding. Hij ontdekte dat als je iemand besmet met een variant van de ziekteverwekker (in dit geval het koepokvirus), deze persoon afweer opbouwt tegen een aanverwante ziekteverwekker (het menselijke pokkenvirus).

Jenner had namelijk gemerkt dat melkmeisjes in het Engelse Gloucestershire een milde vorm van pokken kregen na contact met koepokken op de koeienuiers. Daarna kreeg de menselijke variant van pokken geen vat meer op hen. Ze kregen daar wel pokzweren van, maar veel minder. Bovendien genazen ze zonder iets aan de ziekte over te houden. Jenner begon een onderzoek.

In 1796 kraste hij stof uit een koepokkenzweer van een melkmeisje in de arm van een gezonde jongen. Een tijdje later werd de jongen besmet met het menselijke pokkenvirus. Hij bleek immuun, en daarmee was de eerste vaccinatie een feit. Bovendien zorgde de inenting wel voor de aanmaak van antistoffen, maar maakte de ingeënte persoon niet besmettelijk voor andere mensen. En de bijwerkingen van het vaccin waren veel minder dan die van menselijke pokstof.

In het woord vaccinatie is de geschiedenis nog te herkennen: vacca is Latijn voor koe.

Vaccineren in Nederland: het pokkenbriefje
Ongeveer 3 jaar nadat Jenner internationaal publiceerde over zijn vondst werd in Rotterdam de eerste Nederlandse koepokvaccinatie uitgevoerd. Daarna werd er regelmatig tegen pokken gevaccineerd. Koning Lodewijk Napoleon voerde in 1808 een vaccinatieplicht voor mindervermogenden in. In 1823 gebeurde hetzelfde voor kinderen die naar school gingen. Zij moesten namelijk bewijzen dat ze ingeënt waren tegen pokken, voordat ze op school werden toegelaten. Dit gebeurde met het zogenoemde ‘pokkenbriefje' dat zij van de dokter kregen.

Toch bleef de vaccinatiegraad laag; onderwijs genoot slechts een kleine elite. Bovendien werd het verplichte pokkenbriefje in 1857 weer ingetrokken onder druk vanuit protestants-christelijke hoek. De vaccinatiegraad daalde en pokken eiste weer veel slachtoffers. Zo stierven in de epidemie van 1871-1873 maar liefst 23.000 mensen aan deze vreselijke ziekte.

Deze epidemie leidde tot de Wet op de Besmettelijke Ziekten van 1872, waarbij het ‘pokkenbriefje' weer werd ingevoerd, maar nog steeds met gering resultaat, omdat onderwijs niet verplicht was. Dat gebeurde pas in 1900 bij de invoering van de Leerplichtwet en was er sprake van indirecte vaccinatiedwang.

Pokkenbriefje
Rond 1925 laaide een enorme discussie op over de veiligheid van het pokkenvaccin, omdat er gevallen van ernstige hersenvliesontsteking werden waargenomen en in 1928 werd de indirecte vaccinatiedwang opgeschort en de vaccinatiegraad daalde van 90% naar 20%. Omdat men toch weer bang was voor nieuwe pokkenepidemieën werd in 1939 de Inentingswet aangenomen, waarbij bepaald werd dat ouders die hun kind niet wilden laten inenten hun besluit bij de burgemeester moesten toelichten. De Inentingswet werd in 1976 ingetrokken, omdat door wereldwijde vaccinatiecampagnes van de Wereld Gezondheidsorganisatie pokken bijna volledig was uitgeroeid. In 1980 kon de wereld vrij van pokken verklaard worden en kon men stoppen met vaccineren.
Landelijke aanpak

Vanaf 1952 werd in Nederland al veel tegen difterie gevaccineerd. De Nederlandse overheid besloot in 1953 dat ouders in Nederland hun kinderen vrijwillig en op kosten van de overheid tegen difterie, tetanus en kinkhoest konden laten inenten. De kinderen moesten al als baby ingeënt worden om ze optimaal te beschermen. Dat gebeurde vanaf 1954 met een combinatievaccin tegen difterie, tetanus en polio.

Aanvankelijk waren er verschillende partijen die vaccineerden (kruisverenigingen, huisartsen, kinderartsen), en ontbrak een landelijke aansturing. Als - zoals de overheid nastreefde - alle kinderen ingeënt moesten worden, was een landelijk systeem wel nodig. Om meer eenheid te krijgen besloot de overheid in 1953 de zogenoemde entgemeenschappen in het leven te roepen. In zo'n entgemeenschap werkten huisartsen, kruisverenigingen en kinderartsen uit een plaats samen.

In 1956 werden Nederland en vele andere landen geteisterd door grote polio-epidemieën. Doordat er inmiddels een poliovaccin was kon in 1957 een landelijke campagne opgezet worden om alle na 1945 geboren kinderen in te enten. Tegelijkertijd werd in elke provincie een systeem ingevoerd dat de oproepen voor vaccinaties bijhield en de vaccinaties registreerde. Algemeen wordt 1957 dan ook als startjaar van het Rijksvaccinatieprogramma gezien.

Het Rijksvaccinatieprogramma van 1957 - nu
Het Rijksvaccinatie-programma begon met vaccins tegen vier ziekten, namelijk difterie, kinkhoest, tetanus en polio. In de vijftig jaar die het programma nu bestaat, werd het tal van keren uitgebreid en aangepast. Samen met de vaccinaties tegen rodehond (sinds 1974 in RVP), mazelen (sinds 1976) en bof (sinds 1987), vormden de vier ziekten uit de beginjaren de basis van het programma.

Daar kwamen in de loop van de tijd vaccins tegen andere ziekten bij. De veranderingen in het Rijksvaccinatieprogramma volgden nieuwe wetenschappelijke inzichten. Of de maatschappelijke ontwikkelingen vroegen er om. Vaccins werden zoveel mogelijk gecombineerd om het aantal inentingen te beperken. Soms verving een nieuwe, verbeterde variant een oud vaccin. Bovendien werd de leeftijd waarop het Rijksvaccinatieprogramma startte verlaagd van drie naar twee maanden.

Bron: RIVM / Rijksoverheid

NZG Algemeen Informatie

NZG Nieuwsoverzicht Algemeen