NZG Heupluxatie

Bij een heupluxatie is de heupkop uit de kom. Deze aandoening komt voor bij 1 op de 1000 baby's. Bij heupluxatie is er ook altijd sprake van heupdysplasie, terwijl een heupdysplasie wel kan voorkomen zonder dat er sprake is van een luxatie.

Inhoud
Oorzaken
Verschijnselen
Diagnose
Behandeling

Oorzaken
Er is een aantal oorzaken van heupluxatie bekend. De ligging van de baby tijdens de zwangerschap kan een rol spelen: bij baby's in een stuitligging komt heupluxatie vaker voor. Soms gaat het om een erfelijke afwijking. Niet bij alle kinderen met heupluxatie is een duidelijke oorzaak aan te wijzen.

Verschijnselen
Voor een baby is heupluxatie niet pijnlijk, maar als de aandoening niet op tijd wordt behandeld, kan er op latere leeftijd heupartrose ontstaan.

Diagnose
Baby's worden vlak na de geboorte en bij het consultatiebureau onderzocht op heupafwijkingen. Als de arts vermoedt dat de baby een heupafwijking heeft, wordt er verder onderzoek gedaan. Om een heupluxatie vast te stellen, wordt een artrogram (röntgencontrastfoto) gemaakt. Soms zit er weefsel tussen de heupkop en de heupkom, waardoor de kop niet terug in de kom geplaatst kan worden. Op het artrogram kan de arts zien of er weefsel aanwezig is. Als dit het geval is, kan een operatie nodig zijn.

Behandeling
De behandeling van heupluxatie bestaat - net als bij dysplasie - in de eerste plaats uit het in spreidstand houden van de beentjes. Als dit onvoldoende resultaat heeft, is een tractiebehandeling noodzakelijk. Deze behandeling vindt meestal plaats in het ziekenhuis.

Het kind ligt hierbij op bed, met de beentjes in de lucht. Aan de beentjes worden gewichtjes bevestigd, waardoor de verkorte spieren van het heupgewricht voorzichtig worden opgerekt. Hierna volgt een periode waarbij de beentjes elke dag iets verder worden gespreid. Deze tractiebehandeling duurt over het algemeen één tot zes weken, afhankelijk van de ernst van de afwijking. De behandeling is in principe niet pijnlijk.

Als blijkt dat het kind toch pijn heeft moet de instelling van de gewichten worden gecontroleerd en indien nodig gecorrigeerd. De orthopeed controleert het resultaat van de tractiebehandeling aan de hand van een contrast-röntgenfoto (arthrogram). Hiervoor is een lichte narcose noodzakelijk. Bij een goed resultaat wordt - eventueel direct na het arthrogram - een gipsbroek aangelegd. Een gipsbroek is een rondom aangelegd verband, meestal van gips of sneldrogend lichtgewicht kunststof. Dit verband wordt aangebracht vanaf de taille tot aan de enkels of de tenen, met een uitsparing in het kruis. Een gipsbroek wordt meestal aangelegd voor een periode van zes weken tot drie maanden.

Als de tractiebehandeling niet het gewenste resultaat heeft gehad, of als er weefsel tussen de heupkop en de kom zit, dan kan een operatie noodzakelijk zijn. Hierbij wordt het weefsel verwijderd en de kop in de kom geplaatst, waarna ook een gipsbroek wordt aangelegd voor 6 tot 12 weken. Soms is het ook nodig om de overdekking van de heupkop door de heupkom operatief te verbeteren, of om de stand van de heupkop te veranderen. Dit gebeurt meestal tussen het tweede en vierde jaar.

Terug

Bron: Ziekenhuis.nl

NZG Medisch Informatie

NZG Nieuwsoverzicht Medisch