NZG Ziekte van Crohn

De ziekte van Crohn, genoemd naar de Amerikaanse arts Burrill Crohn (1884 - 1983), is een ontstekingsziekte van het darmkanaal, vaak vooral van de overgang van de dunne naar de dikke darm, maar hij kan op iedere plaats van het darmkanaal voorkomen. Samen met colitis ulcerosa is het de belangrijkste chronische ontstekingsziekte van de darm.

De ziekte van Crohn en colitis ulcerosa zijn beide chronische aandoeningen van het maagdarmkanaal. Zij worden ook wel chronische inflammatoire (ontstekingsachtige) darmziekten genoemd. In het Engels wordt de term IBD (Inflammatory bowel disease) gebruikt. De term IBD moet niet verward worden met de afkorting IBS (Irritable Bowel Syndrome), de zogenaamde 'spastische darm' of 'prikkelbare darm' waarbij geen ontsteking aanwezig is.

De ziekte van Crohn is een chronische ontsteking van de slijmvliezen van het maag-darmkanaal. Meestal zijn de dunne en/of dikke darm getroffen, maar ook de mond of anus kunnen aangedaan zijn. De ontsteking van de darm bij de ziekte van Crohn heeft een uiterst grillig verloop. Het kan variëren van een snelle uitbreiding naar andere darmgedeeltes (acute fase) tot een relatief rustig beeld dat door de jaren heen weinig klachten geeft en nauwelijks behandeling nodig heeft (chronische fase).

Inhoud
Oorzaken
Verschijnselen
Diagnose
Behandeling

Oorzaken
De oorzaak van de ziekte van Crohn is sterk geassocieerd in een genetische mutatie van het Nod2-eiwit in cellen van het aangeboren immuunsysteem. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat zowel erfelijke factoren als omgevingsfactoren een rol spelen bij het ontstaan van deze ziekten. Het menselijk lichaam beschikt over verdedigingsmechanismen tegen indringers zoals bacteriën en virussen.

Er zijn aanwijzingen dat bij de ziekte van Crohn dit verdedigingsmechanisme het eigen lichaam aanvalt, met een ontstekingsreactie van het maag-darmkanaal als gevolg. Dit noemt men een auto-immuunziekte.

  • Erfelijkheid
    Verschillende genen spelen een rol bij het ontstaan van de ziekte van Crohn: IBD1-9 en CARD15. Mutaties in het CARD15-gen komen voor bij 10-15 procent van de patiënten. Het exacte mechanisme waardoor deze genen aanleiding geven tot het ontstaan van de ziekte is nog niet bekend. Wel is bekend dat de CARD15-mutaties aanleiding kunnen geven tot een verhoogde productie van ontstekingsbevorderende cytokines door monocyten en macrofagen. Roken (een omgevingsfactor) verdubbelt ongeveer het risico op het krijgen van een kind met Crohn. Een patiënt met de ziekte van Crohn, die twee CARD15-mutaties heeft en rookt heeft 35 procent kans op nageslacht met de ziekte. Het risico dat een kind van een niet-rokende ouder met de ziekte van Crohn, zonder CARD15-mutaties de ziekte ontwikkelt bedraagt 2 procent. In het algemeen (zonder de ziekte van Crohn in de familie) bedraagt het risico op het krijgen van een kind met deze aandoening 0,1 procent.
  • Omgevingsfactoren De ziekte van Crohn komt het meest voor in Noord-Amerika en Noord-Europa, en het minst in Zuid-Amerika, Zuidoost-Azië en Afrika (met uitzondering van Zuid-Afrika). Hier zouden genetische oorzaken een bijdrage kunnen leveren, maar zeker ook omgevingsfactoren, zoals blijkt uit het feit dat door de industrialisering van Hongkong en ook Japan de ziekte steeds vaker voorkomt. In Noord-Amerika en Europa komt het vaker voor in stedelijke gebieden dan in een landelijke omgeving. Traditioneel komt het weinig voor in onderontwikkelde gebieden. Slechte leefomstandigheden verlagen het risico op het ontwikkelen van de ziekte van Crohn. Overmatige hygiëne, zoals die in de westerse wereld voorkomt zou de immuunrespons kunnen verstoren, en bijdragen aan het ontstaan van de ziekte. Het geven van borstvoeding verlaagt de kans dat het nageslacht de ziekte ontwikkelt.
  • Stress
    Tegenslagen, chronische stress en depressies kunnen de ziekte verergeren, maar zijn niet de primaire oorzaak. Als de ziekte in een rustige fase verkeerde kan zij hierdoor overgaan in een acute ontstekingsfase. Overmatige activiteit van de hypothalamus-hypofyse-bijnieras door stress kan maag-darmontstekingen verergeren. De bij stress betrokken stof CRF, en de invloed van stress op mestcellen zorgt er voor dat bacteriën meer schade aan de darmwand toebrengen.
  • Roken
    Roken is een risicofactor voor het ontstaan van de ziekte van Crohn en het vertraagt de genezing. Rokers hebben vaker de ziekte van Crohn, vergeleken met niet-rokers. De odds ratio bedraagt 1,76. Stoppen met roken vermindert het aantal oplevingen van de ziekte van Crohn met 40 procent. Het blijkt dat mensen met de ziekte van Crohn die roken, vaker geopereerd worden aan hun darmen en zich minder goed voelen. Mogelijke verklaringen hiervoor zijn dat roken de vorming van stolsels in de bloedvaten (trombose) van de darm bevordert, waardoor een ontsteking kan ontstaan, ontsteking van de wand van bloedvaten in de darmen die gepaard gaat met granuloomvorming en andere nog onopgehelderde immunologische effecten.
  • Appendectomie
    (het operatief verwijderen van de appendix) kan het beloop van de ziekte verslechteren. Het is een risicofactor voor het ontstaan van stricturen (vernauwingen) in de darm.

Verschijnselen
De chronische ontsteking tast het darmslijmvlies aan, waardoor de darm niet meer goed kan functioneren. De ontsteking veroorzaakt pijn, koorts en problemen met de stoelgang. Doordat de darm voedingsstoffen niet goed meer kan opnemen, ontstaat (vaak bloederige) diaree, met als gevolg vermagering, bloedarmoede, en ernstige vermoeidheid. Bij kinderen kan de ziekte tot groeiachterstand leiden.

Als de ontsteking op een bepaalde plaats in de darm erg heftig verloopt, kunnen vernauwingen of afsluitingen ontstaan. De ontsteking kan ook overslaan op andere delen van de darm of op omliggende weefsels. Hierdoor kunnen zich onnatuurlijke verbindingen vormen tussen de darm en de huid of andere organen, zgn. fistels.

Wanneer de ziekte blijft voortduren, kunnen ook andere delen van het lichaam worden aangetast. Zo kunnen patiënten met de ziekte van Crohn last krijgen van gewrichtsontstekingen, huidafwijkingen, oogontstekingen en/of leverziekten.

Diagnose
Het stellen van de diagnose duurt niet zelden enige maanden. Soms is het in het begin nog niet goed duidelijk of er inderdaad sprake is van een chronische darmontsteking. Aan de andere kant komt het voor dat de diagnose wordt gesteld tijdens een (spoed)operatie bijvoorbeeld omdat een blindedarmontsteking wordt vermoed.

  • Anamnese: Eerst zal de arts met aanvullende vragen proberen een beter beeld te krijgen van de klachten. Dat zijn vragen over de aard en de duur van de buikpijn en de diarree, over eventueel gewichtsverlies, afwijkingen rond de anus en klachten van huid, gewrichten en ogen. Ook wordt meestal gevraagd naar het voorkomen van deze klachten in de omgeving of bij familieleden.
  • Lichamelijk onderzoek: Ook al worden er vaak geen afwijkingen gevonden, het lichamelijk onderzoek blijft belangrijk. Het gewicht, de algemene indruk en het onderzoek van ogen, gewrichten, huid en vooral van buik en anus zijn belangrijk voor diagnose en behandeling. Daarnaast wordt gelet op fistels of andere afwijkingen rond de anus.
  • Laboratoriumonderzoek: Allereerst wordt het bloed onderzocht. Bloedonderzoek bestaat meestal uit kijken of er sprake is van bloedarmoede (hemoglobinegehalte of Hb), van een ontsteking (bloedbezinking of BSE of CRP) of van een slechte voedingstoestand (albuminegehalte). Een extra hulpmiddel in de diagnose is het bepalen van antistoffen tegen bakkers- en biergist (zogeheten anti-Saccharomyces cerevisiae antibodies, ofwel ASCA). Deze antistoffen worden gevonden in ongeveer 70 procent van de Crohn-patiënten. Positieve ASCA-antistoffen in combinatie met negatieve p-ANCA (perinucleair antineutrophil cytoplasmatic antibodies) antistoffen, is suggestief voor de ziekte van Crohn. Indien andersom (negatieve ASCA en positieve p-ANCA), kan dit passen bij colitis ulcerosa. Toont het bloedonderzoek verder geen afwijkingen aan, dan is IBD minder waarschijnlijk, maar niet onmogelijk. Een steeds belangrijker onderzoek is een ontlastingsonderzoek waar gekeken wordt naar de calprotectine waarden. Deze waarden geven aan hoe actief de ontstekingen zijn en zijn waardevoller dan een bloedonderzoek. De ontlasting wordt meestal onderzocht om andere oorzaken van de klachten uit te sluiten. Dat kan bijvoorbeeld een infectie zijn met bacteriën, parasieten of wormen. Soms wordt gevraagd om de ontlasting gedurende enige dagen op te sparen om te onderzoeken of het vetgehalte hierin verhoogd is. Dat kan een teken zijn van een gestoorde vetopname.
  • Coloscopie: De endoscopie neemt een steeds belangrijkere rol in bij het onderzoek van mensen met klachten die wijzen op IBD. Met behulp van een flexibele endoscoop, een dunne en soepele slang, kan het inwendige van de dikke darm en een deel van de dunne darm in beeld gebracht worden. Op deze manier kan zichtbaar gemaakt worden of, en waar, er een ontsteking is. Daarbij kunnen met een tangetje kleine weefselstukjes (biopten) worden weggenomen om onder de microscoop te onderzoeken. Voordat een endoscopie plaats kan vinden moet de darm eerst zo goed mogelijk geleegd worden. Zo kan een optimaal onderzoek van de binnenkant van de darmwand plaatsvinden. Dit leegmaken start meestal de dag voor het onderzoek. De patiënt drinkt dan een laxeervloeistof en mag die dag verder alleen vloeibaar voedsel gebruiken. De dag van het onderzoek krijgt de patiënt een voorbereiding. Dan dient hij/zij tot 4 liter water met een zoutoplossing te drinken om de resterende afvalstoffen te verwijderen. Indien de darmen van de patiënt nog niet schoon zijn, zal vlak voor het onderzoek nog een klysma worden toegediend. Via de anus wordt hierbij een vloeistof ingebracht om de resterende ontlasting te verwijderen.
  • Gastroscopie: een soortgelijk onderzoek als een endoscopie maar dan via de mond om de maag en twaalfvingerige darm zichtbaar te maken voor onderzoek.
  • Röntgenonderzoek of MRI-scan: Dit wordt vooral uitgevoerd voor het onderzoek van de dunne darm. Meestal wordt door een dunne sonde, die via een neusgat in de maag wordt gebracht, contrastvloeistof (bariumpap) in de dunne darm gebracht. Daarna worden foto's of een scan gemaakt. Op deze manier kan onderzocht worden of er een ontsteking of een vernauwing (stenose) aanwezig is in de dunne darm en of er verbindingen tussen darm en andere organen bestaan (fistels). Ook hier geldt weer dat de darm zo goed mogelijk geleegd dient te zijn. Ook van de dikke darm kan een foto worden gemaakt. Dit heet een 'X-Colon'. Hierbij wordt een papje met barium via een kleine sonde via de anus in de dikke darm gebracht. Vervolgens worden röntgenfoto's gemaakt. Voor een volledig beeld van de dikke en dunne darm wordt de barium gedronken.
  • Echografie en CT-scan: Hebben soms een rol bij het vaststellen van bepaalde complicaties van de ziekte, maar zijn zelden nodig.

Behandeling
Vaak zal na het stellen van de diagnose een behandeling met medicijnen worden gestart. Deze medicijnen dienen enerzijds om de ontsteking af te remmen. Anderzijds onderdrukken ze het ontstaan van nieuwe ontstekingen. Daarnaast worden vaak medicijnen voorgeschreven om bloedarmoede en diarree tegen te gaan. Een Crohn-patiënt moet dus in het algemeen langdurig worden behandeld met geneesmiddelen en ook langdurig door een specialist worden begeleid. De behandeling van Crohn wordt symptomatisch genoemd, gericht op remming van de ontsteking.

Dit betekent dat de behandeling de klachten en verschijnselen onderdrukt, maar de ziekte zelf niet geneest. Ongeveer 80 procent van de Crohn-patiënten gebruikt langdurig medicijnen. Naast gunstige effecten, kunnen in sommige gevallen ook bijwerkingen optreden. Dit is één van de redenen waarom bij langdurig gebruik van geneesmiddelen regelmatig het bloed wordt gecontroleerd.

De keuze van medicijnen is afhankelijk van de ernst van de ontsteking en van de plaats. Zo zijn er medicijnen die voornamelijk werken in de dunne darm. Andere werken juist in het laatste gedeelte van de dikke darm.

Medicijnen kunnen op verschillende manieren worden toegediend: via de mond, via een bloedvat of via de anus met een zetpil, een klysma of een onderhuidse injectie. Daarnaast zijn er medicijnen die op een bepaalde plaats in het lichaam werken en andere die in het hele lichaam werken. De toedieningswijze van een medicijn is afhankelijk van de plaats waar de ontsteking zich bevindt.

Operatie
In sommige gevallen is het nodig een darmoperatie uit te voeren. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij een ernstige vernauwing van de darm of bij het niet reageren op medicijnen. De aanpak bij de ziekte van Crohn en colitis ulcerosa is hierbij duidelijk verschillend.

Bij de ziekte van Crohn opereert men zo spaarzaam mogelijk. Als er geopereerd wordt, neemt men vaak het laatste gedeelte van de dunne darm en het begin van de dikke darm weg (ileo-cecaele resectie). Men kan ook een vernauwing (stenose) verwijderen, een fisteloperatie uitvoeren of een abces insnijden.

Bij een aantal mensen met de ziekte van Crohn of met colitis ulcerosa is het soms noodzakelijk een tijdelijke of blijvende kunstmatige darmuitgang aan te leggen: een stoma.

Terug

Bron: Wikipedia / hebikcrohn.nl

NZG Medisch Informatie

NZG Nieuwsoverzicht Medisch