‘Heeft u de sleutel van mijn kamer?'
De receptioniste keek Immanuel langdurig aan, met haar grote donkere ogen die een rigide persoonlijkheid deden vermoeden. Slechts een klein maar opvallend rood gekleurd tafelkleedje, dat hij op zijn weg naar de receptie van een statafel had gepakt, bedekte zijn meest weerloze lichaamsdeel.
‘Wij mogen geen sleutels overhandigen zonder legitimatie,' zei de receptioniste streng.
‘Misschien begrijpt u de situatie niet helemaal goed,' antwoordde hij zo beleefd mogelijk. Inwendig kookte hij.
‘Ik heb toch echt uw paspoort of ander identiteitsbewijs nodig.'
‘Wat denkt u dat mij zojuist is overkomen?'
‘Ik neem aan dat u gisteravond een paar drankjes te veel heeft gedronken. Dit is echter geen reden om onze interne richtlijnen overboord te gooien.'
‘U mag er voorzichtig aan zuigen, als dat u voldoende comfort geeft ter identificatie. Hier zult u het echt mee moeten doen,' zei hij terwijl hij het rode tafelkleedje op de grond liet vallen.
Ze twijfelde. Haar blik voer, in de vroege ochtend, naar haar te grote zilveren horloge. Ze zag dat het 22 over 5 was.
‘Ik leid u naar uw kamer. Welk kamernummer heeft u?'
'22.'

Terwijl ze tergend langzaam het hotel doorliepen, zag hij in iedere deuropening een collega staan. Eén voor één stonden ze hem daar uit te lachen, de overgrote meerderheid zelfs proestend van het lachen. Het bevreemdde hem dat ze slechts gehuld waren in Kawasaki-groene sokken. Aan het einde van de gang kwam hij oog in oog te staan met een drietal dat klaarblijkelijk een suite deelde. Toen hij naderbij kwam, zag hij Loeki, Delphi en zowaar Nyl. Hij vroeg zich af wat die drie een kamer deed delen. Toen hij hen beter aanschouwde zag hij dat een zwarte rouwband hun Kawasaki-groene sokken omhulde.

Hij schrok wakker en ervoer dat hij in zijn vertrouwde ronde hemelbed lag. Hij droeg een goudkleurige boxer met bloemmotief van Modus Vivendi. Het zweet gutste van zijn hoofd, iets waar hij vaker last van had wanneer de taal van de ziel hem beeldend toesprak. Hij zou zijn spirituele vriendin, Nada, vragen welke zintuiglijke prikkels aan de droom ten grondslag hadden gelegen, maar hij moest nog even wachten want Nada lag nog heerlijk op haar rug te slapen. Zelfs in haar slaap was ze prachtig. Hij had de neiging om even over haar peervormige borsten te strelen maar het schurende geluid van de beweging van het dekbed zou haar wel eens abrupt kunnen doen ontwaken. In plaats daarvan bekeek hij haar gezicht nog eens uitgebreid. Hij realiseerde zich dat hem een geluksgevoel bekroop. Hij kon zich niet heugen wanneer hij dat voor het laatst had gevoeld. Waarom had hij die prachtige glimlach, die zich zelfs tijdens haar slaap ontvouwde, pas zo laat ontdekt? Waarom had hij al die tijd lopen zoeken naar iets dat zo eenvoudig te vinden was? Eenvoud, het moet de drang naar moeilijkheid zijn die de eenvoud doet verstommen.

Juist toen hij zijn hoofd wilde afwenden, viel zijn oog op een donkere gestalte naast Nada. Hij hoopte dat het naderende ochtendlicht haar schaduw zou verraden.