Bijna geen meldingen vanuit ziekenhuizen over grensoverschrijdend gedrag: hoe kan dat?
Volgens meldingen bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) is er in ziekenhuizen in een jaar tijd maar vijf keer sprake geweest van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dat zijn in vergelijking met andere sectoren opvallend weinig meldingen. Vermoedelijk kijken ziekenhuizen liever weg dan dat ze imagoschade lijden. Dit meldt Trouw.
Volgens hoofddocent Jan-Willem Weenink aan de Erasmus Universiteit komt seksueel grensoverschrijdend gedrag in ziekenhuizen vaker voor dan we denken. Maar voor Rijnstate Ziekenhuis in Arnhem blijft het speculeren waarom er zo weinig meldingen binnenkomen. Mogelijk omdat behandelaar en patiënt elkaar slechts periodiek zien, of doordat artsen vaak niet alleen zijn met patiënten. De klachtenfunctionaris is in ieder geval laagdrempelig beschikbaar, stelt een woordvoerder.
Weinig betrokkenheid
Het Flevoziekenhuis is blij met het gebrek aan meldingen over seksueel grensoverschrijdend gedrag bij patiënten. Daar meldde de afgelopen vijf jaar namelijk niemand over. Ook hier denkt een woordvoerder dat dit komt doordat zorgverleners meestal niet alleen zijn. En op poliklinieken duren afspraken vaak zo’n 10 minuten. Maar ook hier geldt: dit is slechts speculeren.
Want ook de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst (KNMG) heeft geen idee waarom er zo weinig meldingen over grensoverschrijdend gedrag binnen ziekenhuizen zijn. De organisatie wijst voor meer informatie naar een statement uit 2025, wat voor Weenink veelzeggend is: “Dan gaat hun betrokkenheid dus niet veel verder dan een verwijzing op hun website naar de gedragscode waarin staat: ‘Het mag niet’, en een verwijzing naar een zelfscan.”
Nog altijd geen collectief probleem
Volgens de hoofddocent van de Rotterdamse Universiteit blijft het probleem hierdoor op individueel niveau steken, terwijl ziekenhuizen het juist als collectieve issue moeten zien. Hij zou graag zien dat beroeps -en brancheorganisaties in de sector stappen vooruit moeten nemen, want de urgentie ontbreekt. En dat is al decennialang zo. Ergens hoopt Weenink dan ook dat het ministerie van Volksgezondheid ingrijpt, zodat er iets móet gebeuren.